Skip to main content

A. Geef aan wat jou opvalt

Helemaal goed šŸ˜€.

Geef alleen aan wat jou opvalt, zonder daarover te oordelen. Door neutraal te zijn ben je een veilige persoon om mee te praten. Je wil juist weten wat het kind er van vindt. De oom kan bijvoorbeeld aan zijn neef vragen: ā€˜ik merk dat je de laatste tijd vaak op straat rondhangt, wat doe je daar?ā€™ Luister vooral naar het verhaal van het kind en vraag door. Hoe vaak hangt hij op straat, wanneer, wat vindt hij daarvan, enz. Toon begrip voor het gevoel van het kind in de situatie. Laat het kind merken dat hij/zij er niets aan kan doen als er thuis iets aan de hand is en dat ze bij jou terechtkunnen voor een praatje of andere praktische hulp.